Toelichting

Artikel 7

Artikel 7 is opgenomen om de handhaafbaarheid van de in artikel 2, onderdeel 3, onder b, onderdeel 4°, opgenomen randvoorwaarde voldoende te verzekeren. Verwezen wordt verder naar de toelichting bij genoemd artikel onderdeel, waar ook artikel 7 reeds nader is toegelicht.

 

Vragen

Wat wordt bedoeld met "functioneel verbonden met" in verband met het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk (aan- en uitbouwen en bijgebouwen en overkappingen)?

Het begrip ‘functioneel verbonden met’ is in de plaats gekomen van ‘ter vergroting van het woongenot’. Dit was noodzakelijk omdat met het vergunningvrij bouwen volgens het Besluit omgevingsrecht ook is toegestaan bijbehorende bouwwerken bij niet woningen te bouwen. Functioneel verbonden zijn met houdt in dat het gebruik van het bijbehorende bouwwerk in planologisch opzicht gerelateerd moet zijn aan het gebruik van het hoofdgebouw. In de verdere toelichting gaan wij in op woningen, echter hetzelfde gaat op voor overige hoofdgebouwen.



Op basis van de voorwaarde ‘functioneel verbonden met’ mag in het bijbehorend bouwwerk geen gebruik worden gerealiseerd dat zich niet verhoudt met de geldende bestemming. Activiteiten die normaliter zijn toegestaan binnen bijvoorbeeld een bestemming 'woondoeleinden' zijn ook toegestaan binnen deze bouwwerken. De jurisprudentie die (in het verleden) is ontwikkeld over de vraag welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen een woonbestemming kan dus richtinggevend zijn bij de uitleg van het begrip 'vergroten van het woongenot'. Ook de toelichting op het de definitie van ‘bijbehorend bouwwerk’ in het Besluit omgevingsrecht (Bor) helpt hierbij.
Reeds meermalen is in jurisprudentie bepaald dat de vraag of een bepaald gebruik binnen een woonbestemming past, beoordeeld dient te worden aan de hand van ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel. Het normale gebruik als bergruimte, bijkeuken, garage of een ruimte voor het beoefenen van hobby's wordt in zijn algemeenheid passend geacht binnen een woonbestemming en past daarmee ook binnen de termen van het vergroten van het woongenot. Ook als het gaat om het hobbymatig houden van bijvoorbeeld duiven of kippen zal dat in beginsel geen probleem opleveren. Dat geldt ook voor een duivenhok. In het kader van het Besluit meldingplichtige bouwwerken werd een duivenhok gezien als een gebouw ten dienste van een groter genot van het gebruik van een woning (zie de uitspraak van de Voorzitter Afdeling rechtspraak Raad van State van 17 mei 1993, Gst. 1993, 6975, nr. 8. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 1 april 1996, BR 1996, blz. 908). In dit verband kan ook verwezen worden naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 22 maart 2001 (Gst. 2001, 7145. nr. 10) waarin met toepassing van het criterium "ruimtelijke uitstraling" het "slechts" hobbymatig houden van dieren (paarden), gekwalificeerd werd als passend binnen de woonbestemming. Tot dit oordeel droeg in casu bij dat het betrokken perceel gelegen was in het buitengebied.
Uit jurisprudentie kan in dit verband voorts worden afgeleid dat huisgebonden beroepsuitoefening van traditionele vrije beroepen (zoals arts, notaris, advocaat) binnen een woonbestemming kunnen worden uitgeoefend, mits de woonfunctie (in ruimtelijke en visuele zin) in overwegende mate behouden blijft. Voor overig beroeps- en bedrijfsmatig medegebruik in woningen zal het eerder genoemde criterium van "ruimtelijke uitstraling" doorslaggevend zijn voor de vraag in hoeverre de activiteiten nog verenigbaar zijn met een woonbestemming (verwezen kan in dit verband onder meer worden naar KB 17 mei 1995, BR 1995, blz. 851, KB 25 juni 1993, BR 1993, blz. 711, Afdeling rechtspraak Raad van State 18 februari 1992, Gst. 6954, nr. 8 Zie ook het artikel van mw. A.F. de Lange in BR 1998, nr. 11, "De ballade van de huisarts en de kapper; De woonbestemming als planologische-juridisch beletsel voor aan-huis-verbonden-activiteiten". Voorts zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 14 november 2001, Gst. 2002, 7157, nr. 9, met noot Teunissen, waarin een verbouwing van een garage tot kapsalon niet passend werd geacht binnen een woonbestemming).
Indien er sprake is van een activiteit die niet strekt tot vergroting van het woongenot - bijvoorbeeld in het bijgebouw wordt een afhaalchinees gevestigd of er is een zelfstandige nieuwe woning ontstaan in een bijgebouw - dan 'herleven' op grond van artikel 20 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan en zou er, mits het gevestigde gebruik in strijd is met deze voorschriften, door het college van burgemeester en wethouders handhavend kunnen worden opgetreden (zie in dit verband ook de toelichting bij het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, Stb. 2002, 410, blz. 12). Algemeen kan in ieder geval gesteld worden dat op grond van de jurisprudentie een aan huis gebonden beroep wel is toegestaan in de woning, maar niet in een bijgebouw bij de woning.
Verder is het niet toegestaan om in een bijgebouw bij een woning primaire woonfuncties onder te brengen. Het gebruik als woonkamer, keuken of slaapkamer is dus niet toegestaan.

Door VROM helpdesk

 

 
OmgevingsWeb.nl © 2010 -2014  |  Disclaimer  |  Mail ons  |  Vragen / antwoorden?