Toelichting

 

4. Opzet en handhavingssystematiek van de bijlage

Artikel 1 van de bijlage bevat een definiëring van een aantal in de regeling gehanteerde begrippen en enkele bepalingen inzake de meetwijze.

De aanwijzing van omgevingsvergunningvrije bouwwerken en bijbehorend planologisch gebruik heeft zoals al eerder aangegeven in een tweetal categorieën plaatsgevonden. De gecombineerde aanwijzing van categorieën van gevallen binnen de activiteiten «bouwen» en «planologisch strijdig gebruik» heeft plaatsgevonden in artikel 2. In artikel 3 zijn alleen categorieën van gevallen aangewezen binnen de activiteit «bouwen». De planologische «kruimelgevallen» zijn aangewezen in artikel 4.

In de artikelen 5, 6 en 7 zijn enkele bijzondere bepalingen opgenomen. Hierin is onder meer geregeld dat toch een omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is indien – kort samengevat – de activiteit in, aan, op of bij een monument plaatsvindt of in een door het Rijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 8 bevat overgangsrecht met betrekking tot het bouwen dat is begonnen – maar nog niet is afgerond – voor de inwerkingtreding van de Wabo en waarvoor krachtens de Ww geen bouwvergunning was vereist, maar dat niet onder de reikwijdte van artikel 2 of 3 van de regeling valt.


 

4.1. Omgevingsvergunningvrij «bouwen» en «planologisch strijdig gebruik» in artikel 2

Artikel 2 betreft, zoals al aangegeven, een gecombineerde aanwijzing van activiteiten uit artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo. Het gaat hier om de activiteit «bouwen» en, kort samengevat, de activiteit «planologisch strijdig gebruik» van gronden en bouwwerken. De eerste activiteit betreft het bouwen waarvoor op grond van de Ww een bouwvergunning was vereist, behoudens de aanwijzing als bouwvergunningsvrij bouwwerk ingevolge artikel 43 van de Ww en het Bblb.

Bij de tweede activiteit gaat het om een planologisch gebruik «in ruime zin» als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro. Zoals ook al in paragraaf 1 is toegelicht, vallen daar in beginsel alle ruimtelijke relevante activiteiten onder, zoals het aanleggen van werken geen bouwwerken zijnde, het gebruik van gronden en bouwwerken alsmede het bouwen van bouwwerken. Zodra deze planologisch relevante activiteiten in strijd zijn met planologische regels uit bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de beheersverordening, geldt dat er voor deze activiteiten een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is vereist. De aanwijzing van zo’n activiteit in artikel 2 van deze bijlage leidt er evenwel toe dat deze vergunningplicht vervalt. De aangewezen activiteiten kunnen in dat geval zonder omgevingsvergunning – en zonder dat voldaan hoeft te worden aan de betreffende planologische regelgeving – verricht worden. Het realiseren van dit «planologisch strijdige gebruik» is derhalve zonder omgevingsvergunning toegestaan.

De bovenbedoelde gecombineerde aanwijzing van «bouwen» en «planologisch strijdig gebruik» maakt dat de bouwwerken in artikel 2 vergelijkbaar zijn met de categorie bouwvergunningsvrije bouwwerken uit artikel 43 van de Ww en de artikelen 2 en 3 van het Bblb. Ook voor het bouwen van deze bouwwerken was geen (bouw)vergunning nodig. Het bouwen van deze bouwwerken alsmede het in het Bblb bij die bouwwerken behorende gebruik behoefde niet te voldoen aan de geldende planologische regelgeving.


4.2. Omgevingsvergunningvrij «bouwen» in artikel 3

De aanwijzing in artikel 3 van deze bijlage betreft alleen de activiteit «bouwen» uit artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Anders dan bij artikel 2 blijft voor dit bouwen, alsmede voor het gebruik van die bouwwerken, de omgevingsvergunningplicht voor «planologisch strijdig gebruik» ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, bestaan. Indien het bouwwerk, of het gebruik daarvan, aangemerkt moet worden als «planologisch strijdig gebruik» (dat wil zeggen strijdig met het bestemmingsplan of andere planologische regelgeving), geldt dat er toch een omgevingsvergunning is vereist ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

De in artikel 3 aangewezen categorie bouwwerken laat zich daarmee het best vergelijken met de voorheen in artikel 40, tweede lid, van de Ww opgenomen categorie van bouwwerken voor verblijfsrecreatie. Deze bouwwerken, zoals een tent, tentwagen of caravan, konden zonder bouwvergunning worden gebouwd mits voldaan werd aan het bestemmingsplan. Bij strijd met het bestemmingsplan was de bouwvergunningplicht echter weer toepasselijk en was er naast een bouwvergunning ook een planologische ontheffing of een projectbesluit ingevolge de Wro vereist. In de systematiek van deze bijlage «herleeft» bij strijd met de planologische regelgeving de vergunningplicht voor het «bouwen», bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, echter niet. Mits voldaan wordt aan de in artikel 3 gestelde eisen, blijft de omgevingsvergunningplicht voor het «bouwen» buiten toepassing. Bij strijd met bijvoorbeeld het bestemmingsplan geldt echter wel de omgevingsvergunningplicht voor «planologisch strijdig gebruik».

Gevolg van de introductie van de categorie van artikel 3 is dat de burger er, wat betreft de in artikel 3 genoemde gevallen, primair zelf verantwoordelijk voor is dat wordt gebouwd in overeenstemming met de planologische regelgeving. Deze ontwikkeling past in de reeds op andere gebieden van het bouwrecht en de ruimtelijke ordening in gang gezette ontwikkelingen (rechtstreekse binding van de burger aan de normen van het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening, zoals voorgeschreven door de Ww; betere beschikbaarheid en uniformiteit van bestemmingsplannen, zoals voorgeschreven door de Wro).

Toepassing van artikel 3 in een concreet geval kan betekenen dat slechts voor een gedeelte van een bouwwerk een omgevingsvergunning nodig is. Denkbaar is bijvoorbeeld een garage met een dakvoet van 3 m hoogte en daknok met een hoogte van 4,5 m. Indien het bestemmingsplan uitsluitend een garage toestaat met een hoogte van 3 m, is alleen de kap in strijd met het bestemmingsplan. Alleen voor die met het bestemmingsplan strijdige kap is een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, vereist.

Indien bouwwerkzaamheden worden verricht met het oog op het realiseren van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik ligt dit anders. Overeenkomstig vaste jurisprudentie dient bij de toets aan het bestemmingsplan niet alleen te worden bezien of een bouwwerk voldoet aan de bouwvoorschriften van een bestemmingsplan, maar ook moet het gebruik van het te bouwen bouwwerk passen binnen de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan. Niet alleen het feitelijke gebruik is daarbij van belang, maar tevens moeten de gebruiksmogelijkheden worden beoordeeld (ABRvS 17 mei 2005, 200507820/1, LJN: AX2085). Vaste lijn in deze jurisprudentie is daarbij dat niet alleen wordt bezien of het beoogde bouwwerk kan worden gebruikt overeenkomstig de aan het betrokken perceel gegeven bestemming, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwplan in strijd met de planologische regeling moet worden geoordeeld indien (op grond van bouwkundige inrichting of anderszins) redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet (zie bijvoorbeeld ABRvS 19 april 2006, 200504251/1, LJN: AW2314, ABRvS 21 november 1996, Gst. 7049.9 en ABRvS 5 juni 2000, Gst. 7131.7, met noot De Gier, LJN: AA6429). Het is niet de bedoeling dat op dit punt voor de planologische toets van bouwwerkzaamheden en samenhangend gebruik van het bouwwerk een breuk met genoemde jurisprudentie ontstaat. Als voorbeeld kan gedacht worden aan het aanbrengen van een keuken, toilet en badkamer waardoor een garage/berging of werkplaats in bouwkundig opzicht geschikt wordt gemaakt voor een met het bestemmingsplan strijdige bewoning. Het feit dat met het aanbrengen van deze bouwkundige voorzieningen wordt beoogd een gebruik te realiseren dat in strijd is met het bestemmingsplan, maakt dat zowel voor die bouwwerkzaamheden als het beoogd gebruik een omgevingsvergunning nodig is ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het «bouwen» zelf, de activiteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wabo, blijft echter ook in deze situatie omgevingsvergunningvrij op grond van artikel 3, onderdeel 7, van deze bijlage.


4.3. Handhavingssystematiek

Voor de bouwwerken en het daarbij behorende gebruiksdoel dat in artikel 2 van deze bijlage wordt aangewezen, is geen omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, vereist. Daarvoor is het wel van belang dat het bouwen en het daarbij aangewezen planologische gebruik aan de in artikel 2 van de bijlage gestelde eisen voldoen. Indien niet aan een of meer van de in artikel 2 gestelde eisen wordt voldaan, geldt dat voor het bouwen een omgevingsvergunning is vereist ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Indien het bouwen daarnaast strijdig is met de planologische regelgeving, geldt eveneens de omgevingsvergunningplicht voor «planologisch strijdig gebruik» uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Artikel 2.1 van de Wabo biedt in dat geval derhalve de grondslag voor een handhavend optreden.

Voor het bouwen dat in artikel 3 is aangewezen geldt eveneens dat voldaan moet worden aan de in genoemd artikel gestelde eisen. Indien daar niet aan wordt voldaan is een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, vereist. Dat artikel biedt in dat geval ook een grondslag voor een handhavend optreden. Ongeacht of voldaan wordt aan alle vereisten uit artikel 3, geldt dat voor het bouwen onverminderd omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo indien het bouwen in strijd is met de planologische regelgeving. Dat geldt eveneens voor het gebruik dat van het bouwwerk gemaakt gaat worden. Indien het bouwen of het gebruik plaatsvindt in strijd met de planologische regelgeving, biedt artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo de grondslag voor een handhavend optreden.


4.4. Het planologisch gebruiksdoel

Bij een aantal in de artikelen 2 en 3 aangewezen bouwwerken is een gebruiksdoel aangegeven waartoe het gebruik van het op te richten bouwwerk moet strekken. Het gebruik van een bijbehorend bouwwerk bij een hoofdgebouw dient bijvoorbeeld ingevolge de definitie uit artikel 1 functioneel verbonden te zijn met het gebruik van het hoofdgebouw. Op een afstand van meer dan 2,5 m van het hoofdgebouw dient het gebruik van een bijbehorend bouwwerk ingevolge artikel 2, onderdeel 3, onder b, onderdeel 4°, zelfs functioneel ondergeschikt te zijn aan het gebruik van het hoofdgebouw. Een ander voorbeeld van een voorgeschreven gebruiksdoel is te vinden in artikel 2, onderdeel 15. De daar genoemde antenne-installatie moet dienen voor mobiele telecommunicatie. Een voorbeeld van een gebruiksdoel in artikel 3 betreft de in onderdeel 2 aangewezen bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

Indien een bouwwerk voor een ander dan het voorgeschreven gebruiksdoel wordt opgericht, wordt niet aan de eisen uit artikel 2 of 3 van deze bijlage voldaan en is dat bouwwerk onverminderd omgevingsvergunningplichtig ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Afhankelijk van de vraag in hoeverre het bouwwerk en het beoogde andere gebruiksdoel daarnaast strijdig zijn met de planologische regelgeving, geldt daarnaast ook nog de omgevingsvergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.

In dit verband moet nog gewezen worden op de mogelijkheid dat een bouwwerk geheel in overeenstemming met het voorgeschreven gebruiksdoel zonder omgevingsvergunning is opgericht en dat pas later door een (voorgenomen) gebruikswijziging strijd ontstaat met dat gebruiksdoel. Het bijbehorende bouwwerk wordt bijvoorbeeld niet langer gebruikt ten dienste van het hoofdgebouw maar men wenst een ander gebruik te realiseren. Denk aan een aanbouw bij een woning waar de eigenaar een winkelfunctie wil vestigen. Ook kan gedacht worden aan de antenne-installatie die niet langer voor mobiele telecommunicatie maar voor radio-uitzendingen gebruikt gaat worden of een recreatiewoning die voor permanente bewoning gebruikt gaat worden. Indien het te realiseren gebruik in strijd is met de planologische regelgeving geldt hiervoor de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het is in zo’n situatie, waarin een omgevingsvergunningvrij gebouwd bouwwerk naderhand voor een ander dan het voorgeschreven gebruiksdoel gebruikt gaat worden, niet zo dat het bouwwerk als zodanig weer onderworpen wordt aan een omgevingsvergunning voor het «bouwen» van dat bouwwerk. Het bouwwerk is immers voltooid en het bouwen daarvan wordt niet met terugwerkende kracht vergunningplichtig door louter het realiseren van een nieuw gebruik. Indien ten behoeve van het realiseren van het nieuwe gebruik ook bouwwerkzaamheden moeten worden verricht, komt wel weer de vraag aan de orde of ook voor deze bouwwerkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist.

 

 
OmgevingsWeb.nl © 2010 -2014  |  Disclaimer  |  Mail ons  |  Vragen / antwoorden?