Toelichting

Artikel 2 lid 3 onder f

Onder e is de zo wel genoemde «anti-dichtslibregeling» opgenomen. Uit planologisch oogpunt dient te worden voorkomen dat achtererfgebied helemaal volgebouwd wordt. Zoals al eerder gesteld, wordt uitgegaan van een zogenoemde nulsituatie. Die wordt bepaald aan de hand van het oorspronkelijke hoofdgebouw (voor een uitleg hiervan wordt verwezen naar de bij het begrip hoofdgebouw gegeven toelichting bij artikel 1). Uitsluitend op de gronden bij een hoofdgebouw die aangemerkt kunnen worden als «achtererfgebied» als bedoeld in artikel 1, kunnen zonder omgevingsvergunning bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Naarmate het achtererfgebied groter is, biedt de nieuwe regeling ruimere mogelijkheden om daar bijbehorende bouwwerken te bouwen. De omvang van het achtererfgebied bepaalt dus de mogelijkheden om in dat tuingedeelte te bouwen. Dit achtererfgebied mag voor maximaal 50% worden bebouwd. Een gelijk maximum percentage was al gegeven in het Bblb en wordt ook veelvuldig gehanteerd in bestemmingsplannen. Dit percentage geldt naast de absolute maximum oppervlakte van 30 m2 voor het totaal aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken dat wordt gebouwd buiten een zone van 2,5 m vanaf het oorspronkelijk hoofdgebouw. De maatvoering van bijbehorende bouwwerken binnen de zone van 2,5 m (aan- en uitbouwen) is net als onder het Bblb niet gelimiteerd aan een absolute oppervlaktemaatvoering. Het bebouwingspercentage van maximaal 50% is wel op dit bouwen van toepassing.



In de anticumulatieregeling blijft het overigens mogelijk dat de geboden vergunningvrije bouwmogelijkheden bij de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan (of andere planologische regeling) worden opgeteld. Dat was ook al onder het Bblb het geval. Mits het bebouwingspercentage van 50% niet wordt overschreden, kan aan het bouwen dat maximaal ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan bijvoorbeeld ook nog 30 m2 aan bijbehorende bouwwerken buiten de zone van 2,5 m worden toegevoegd. De jurisprudentie waarin is bepaald dat bouwvergunningsvrij gebouwde bouwwerken in beginsel niet meegerekend worden bij de oppervlakteberekening ingevolge het bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld ABRvS 10 juli 2002, 200101969/1, LJN: AE5113) blijft ook onder de nieuwe regeling relevant.

Planologische totaalbenadering bij oppervlakteberekening van bijbehorende bouwwerken

De wijziging van artikel 2, onderdeel 3, onder f, van bijlage II bij het Bor vereenvoudigt de zo wel genoemde anticumulatiebepaling voor de oppervlakteberekening. Deze regeling wordt ook wel de ‘anti-dichtslib-regeling’ genoemd. Uit planologisch oogpunt dient te worden voorkomen dat een achtererf bij een hoofdgebouw helemaal volgebouwd wordt. Hiertoe wordt gewerkt met een zogenoemde nulsituatie, van waaruit een bepaalde oppervlakte vergunningvrij mag worden gebouwd. In bijlage II blijft hiervoor het ‘oorspronkelijke hoofdgebouw’ bepalend. Bij dit oorspronkelijk hoofdgebouw mag een bepaalde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Deze toegelaten oppervlakte wordt op twee manieren begrensd.

In de eerste plaats wordt de toegelaten oppervlakte begrensd door een maximaal toelaatbaar bebouwingspercentage. Vastgehouden wordt aan de nu al geldende randvoorwaarde dat het achtererfgebied bij het oorspronkelijk hoofdgebouw voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd. Dit percentage werd al gehanteerd in het Bblb, is bij de totstandkoming van het Bor ongewijzigd overgenomen en blijft ook nu ongewijzigd. Veel bestemmingsplannen gaan eveneens uit van dit bebouwingspercentage.

In de tweede plaats is er een absolute oppervlaktelimiet gesteld. In deze limiet is een vereenvoudiging doorgevoerd. Niet langer komt de limiet in twee delen tot stand, via een bebouwingsmogelijkheid binnen en buiten een afstand van 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Ook wordt bij het bepalen van de limiet niet langer uitsluitend gekeken naar de vergunningvrij gebouwde bijbehorende bouwwerken. Bij de nieuwe limiet, die is gesteld op 100 m2, wordt de oppervlakte van alle bij het oorspronkelijk hoofdgebouw aanwezige bijbehorende bouwwerken betrokken, uiteraard mits legaal opgericht, zie in dat verband artikel 5, tweede lid, van bijlage II. Dat betekent dus dat het in de oppervlakteberekening niet meer uitmaakt of bijbehorende bouwwerken destijds met of zonder vergunning zijn gebouwd. Hierdoor ontstaat een nieuwe planologische totaalbenadering, die slimmer aansluit op de bouwmogelijkheden die een bestemmingsplan biedt. De nieuwe regeling is bovendien eenvoudiger toepasbaar omdat geen lastig archiefwerk meer behoeft plaats te vinden, om uit te zoeken welke bouwwerken destijds met of zonder vergunning zijn gebouwd.

Samenvattend is de nieuwe ‘50% - 100 m2 regel’ eenvoudig: in het achtererfgebied bij een oorspronkelijk hoofdgebouw mogen, binnen een bebouwingspercentage van 50%, tot een maximum van 100 m2 één of meer bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Alleen indien het bestemmingsplan een ruimer bebouwingspercentage of meer vierkante meters toelaat, kan er op grond van het bestemmingsplan een grotere oppervlakte worden gebouwd. Mits voldaan wordt aan de vereisten uit artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II, is overigens ook voor deze aanvullende bebouwingsmogelijkheden geen omgevingsvergunning nodig.

De reden waarom de absolute bebouwingslimiet is gesteld op 100 m2 wordt hierna verder toegelicht. Ook wordt daarbij nader toegelicht hoe de nieuwe planologische totaalbenadering zich verhoudt tot de bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan. Eerst zal hiertoe een uiteenzetting worden gegeven van de wijze waarop in de tot nu toe geldende regeling van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II, de absolute bebouwingslimiet voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken tot stand kwam.

Zoals al aangegeven, werd in de oude systematiek uitgegaan van een bebouwingsmogelijkheid in het achtererfgebied ‘binnen’ en ‘buiten’ een afstand van 2,5 m vanaf het oorspronkelijk hoofdgebouw. De ruimte binnen de afstand van 2,5 m mocht aan de achter- en zijkant(en) van het hoofdgebouw ongelimiteerd worden volgebouwd. Uitgaande van de bebouwingsmogelijkheid bij gemiddelde woningtypen, kon binnen die afstand - afhankelijk of sprake was van een tussen- of middenwoning of een halfvrijstaande of vrijstaande woning - ongeveer 15 tot 120 m2 gerealiseerd worden. Daarnaast was buiten de afstand van 2,5 m een oppervlakte van 30 m2 te realiseren. Opgeteld konden bij woningen dus grosso modo tussen de 45 en 150 m2 aan vergunningvrije bijbehorende bouwwerken worden toegevoegd.

In de oude limiet werd uitsluitend gerekend met de vergunningvrije bijbehorende bouwwerken. Aanwezige bouwwerken die met vergunning waren gebouwd, bleven in die limiet buiten beschouwing. Andersom gold dat ook voor de in een bestemmingsplan gestelde bebouwingslimiet. Bij de oppervlaktebepaling in het kader van een bestemmingsplan, bleven de aanwezige vergunningvrij gebouwde bouwwerken buiten beschouwing.3 Beide bebouwingsregelingen stonden daarmee dus geïsoleerd van elkaar, waardoor de bebouwingsoppervlakte die ingevolge het bestemmingsplan was toegestaan opgeteld kon worden bij de bebouwingsoppervakte die ingevolge de regeling voor vergunningvrij bouwen was toegestaan.

Uitgaande van een gemiddelde woning, waarbij een bestemmingsplan grosso modo een bebouwingsmogelijkheid biedt van 50 m2, kon in het oude stelsel een oppervlakte gerealiseerd worden van ongeveer 95 tot 200 m2. De oppervlakte van 50 m2 was ingevolge het bestemmingsplan te realiseren. Het andere deel was te realiseren op grond van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II. Deze oppervlakte was mede afhankelijk van de breedte van de woning en varieerde voorts naar gelang sprake was van een tussen- of middenwoning, zij- of hoekwoning of vrijstaande woning.

In de nieuwe opzet zijn de bebouwingsmogelijkheden die voor een doorsnee (tussen- of midden)woning bestonden, als uitgangspunt genomen. Dit is grosso modo het kleinste type hoofdgebouw waarbij vergunningvrije bouwmogelijkheden bestaan. In die uitgangssituatie is de absolute bebouwingslimiet vastgesteld op 100 m2. Dit is de oppervlakte die in zo’n situatie grosso modo ook onder de voorheen geldende regeling voor vergunningvrij bouwen, in combinatie met de bouwmogelijkheden van een doorsnee bestemmingsplan, was te realiseren. Van belang is dat de nieuwe regeling niet meer geïsoleerd staat van de bebouwingsregeling in het bestemmingsplan. Alle bebouwing die al aanwezig is, ongeacht of deze met vergunning is gebouwd, wordt in de nieuwe limiet betrokken. Dat zal tot gevolg hebben dat ook andersom de aanwezige vergunningvrij gebouwde bouwwerken betrokken moeten worden bij de oppervlaktebepaling in het kader van het bestemmingsplan. Daarmee wordt dus een breuk beoogd met de eerder aangehaalde jurisprudentie dat vergunningvrij gebouwde bouwwerken in beginsel niet meegerekend worden bij de oppervlakteberekening ingevolge het bestemmingsplan.

Door de bovenbeschreven wisselwerking tussen het bestemmingsplan en de regeling voor vergunningvrij bouwen, ontstaat een samenhangende planologische totaalbenadering. Rare of ongewenste uitschieters worden in dit systeem voorkomen doordat het bebouwingspercentage van 50% onverminderd de maximale maatvoering blijft bepalen. Die begrenzing blijft gelijk en maakt een vrees voor ongebreidelde verstening of dichtslibbende achtererfgebieden ongegrond.

De nieuwe opzet is zoals al aangegeven primair bedoeld om de huidige in de praktijk ervaren problematiek van oppervlakteberekening te vereenvoudigen. De nieuwe opzet is dus op zichzelf niet bedoeld om de mogelijkheden voor vergunningvrije bouwwerken te verruimen. De nieuwe opzet heeft evenwel tot gevolg dat in sommige situaties een beperkte uitbreiding van de mogelijkheden om vergunningvrij te bouwen zal plaatsvinden. Dit zal vooral aan de orde kunnen zijn bij achtererfgebieden met een oppervlakte kleiner dan 200 m2, waarbij het bestemmingsplan een minder dan gemiddelde bebouwingsmogelijkheid biedt kleiner dan 50 m2 of een bebouwingspercentage van minder dan 50%. Bij grotere achtererfgebieden en bestemmingsplannen met ruimere bouwmogelijkheden, zal daarentegen in de regel sprake zijn van een beperking van vergunningvrije bouwmogelijkheden. Met het doel thans een regeling te bieden die eenvoudiger toepasbaar is, worden deze gevolgen aanvaardbaar geacht.

Een bijkomend voordeel van de regeling is voorts dat een standaardisering tot stand komt van de bouwmogelijkheden bij hoofdgebouwen, in het bijzonder bij woningen. De nieuwe regeling kan bijdragen aan grootschalige deregulering in bestemmingsplannen. De nieuwe regeling geeft zoals gesteld een planologische totaalregeling voor achtererfgebied bij hoofdgebouwen, die voor doorsnee situaties een in de praktijk aanvaardbaar geachte bouwmogelijkheid biedt. Gemeenten die met deze nieuwe regeling willen volstaan, hoeven in bestemmingsplannen bij het toestaan van hoofdgebouwen geen aanvullende bebouwingsregeling meer te geven. Alleen gemeenten die nog aanvullende bebouwingsmogelijkheden willen bieden, kunnen hiertoe in het bestemmingsplan een regeling geven die aanvullende ruimte biedt. Een bestemmingsplan kan daartoe bebouwingsmogelijkheden bieden die ruimer zijn dan de al vergunningvrij gegeven bebouwingsmogelijkheid van 50% en 100 m2.

Voor gemeenten die de vergunningvrije bebouwingsmogelijkheden juist wensen in te perken, blijft de mogelijkheid bestaan om via het bestemmingsplan de gronden die als ‘erf’ in de zin van de in artikel 1 van bijlage II, opgenomen begripsomschrijving zijn aan te merken, in te perken. De regeling in het bestemmingsplan is gelet op die begripsomschrijving relevant voor de vraag in hoeverre gronden bij een hoofdgebouw als erf kunnen worden aangemerkt en dus in hoeverre binnen het tot het erf behorende achtererfgebied zonder vergunning bijbehorende bouwwerken kunnen worden opgericht. Door in het bestemmingsplan delen van een bij een hoofdgebouw behorend perceel zodanig te bestemmen dat het niet is toegestaan deze te gebruiken en in te richten als buitenruimte ten dienste van het hoofdgebouw, worden deze delen niet als erf in de zin van bijlage II aangemerkt. Daarmee worden ook direct de mogelijkheden voor vergunningvrije bijbehorende bouwwerken ingeperkt. Deze sturingsmogelijkheid is expliciet aan gemeenten gegeven om bij ruim bemeten percelen of bij een specifieke ligging van percelen, de ruimtelijke mogelijkheden voor het vergunningvrij bouwen te kunnen afstemmen op de ruimtelijke ligging van betrokken percelen. Een dergelijke behoefte kan bijvoorbeeld bestaan indien percelen waarop zich een hoofdgebouw bevindt, deels zijn gelegen in een bos-, hei-, duin- of weidegebied. Ook situaties waarbij percelen zijn gelegen langs openbaar water, kan aanleiding geven om delen van een perceel anders te bestemmen, waardoor deze delen niet als ‘erf’ zijn aan te merken. Nog een denkbaar voorbeeld is dat percelen met karakteristieke solitair staande gebouwen of stedelijke binnentuinen op deze wijze gedeeltelijk worden gevrijwaard van bijbehorende bouwwerken. In dit verband wordt mede verwezen naar de nota van toelichting bij het Bor zoals dat oorspronkelijk op 1 oktober 2010 in werking trad (Stb 2010, 143, blz. 134-135). Inmiddels is ook jurisprudentie beschikbaar waarin deze werkwijze in bestemmingsplannen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitdrukkelijk wordt toegelaten.4

3 Verwezen wordt naar de uitspraak ABRvS 8 augustus 2012, nr. 20110539/1/A1, ECLI:NL:RVS:2012:BX3911, TBR 2012/215, AB 2012/286.
4 Verwezen wordt naar de uitspraak ABRvS 10 juli 2013, nr. 201209655/1/A1, ECRI:NL:RVS:2013:228, TBR 2013/116 en ABRvS 17 juli 2013, nr. 201210561/1/A1, ECRI:NL:RVS:2013:340, TBR 2013/131.

 

 

 

 

 

 
OmgevingsWeb.nl © 2010 -2014  |  Disclaimer  |  Mail ons  |  Vragen / antwoorden?