Toelichting

 

Aanwijzing van categorieën gevallen waarin:
– voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist,
– voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo kan worden verleend

 

1. Inleiding

In deze bijlage bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) wordt invulling gegeven aan artikel 2.1, derde lid, van de Wabo. Op grond van dat artikellid kunnen met betrekking tot de in artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo genoemde activiteiten, categorieën gevallen worden aangewezen waarvoor het verbod om die activiteit te verrichten zonder een omgevingsvergunning niet geldt.

Deze bijlage wijst ten aanzien van een tweetal activiteiten uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo omgevingsvergunningvrije categorieën gevallen aan. In de eerste plaats betreft het aanwijzingen binnen de activiteit «bouwen», waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo een omgevingsvergunningplicht geldt. In de tweede plaats gaat het om aanwijzingen binnen de activiteit «planologisch gebruik in strijd met de vigerende planologische regelgeving», waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig is.



De in artikel 2 van deze bijlage opgesomde bouwwerken hebben betrekking op beide hiervoor genoemde activiteiten en vormen in feite een voortzetting van de categorie bouwvergunningsvrije bouwwerken, die was opgenomen in artikel 43, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Ww en het daarop gebaseerde Bblb. In artikel 3 is een nieuw type vergunningvrije bouwwerken opgenomen, waarbij alleen het «bouwen» als omgevingsvergunningvrij is aan te merken. Het planologische vergunningvereiste uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo blijft voor dit bouwen bestaan, indien het bouwen strijdig is met bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de beheersverordening.

Daarnaast is in artikel 4 van deze bijlage de categorie van gevallen aangewezen waarvoor op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo, omgevingsvergunning kan worden verleend. Het gaat hier om een voortzetting van de zogenoemde «kruimellijst» van gevallen van beperkte planologische betekenis welke was opgenomen in artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en met toepassing waarvan ingevolge artikel 3.23 van de Wro ontheffing kon worden verleend van het bestemmingsplan.


1.1. Bouwen

Met het opgaan van de bouwvergunning krachtens de Ww in de omgevingsvergunning wordt ook de categorie bouwwerken voor het bouwen waarvan geen vergunning is vereist, voortaan binnen het systeem van de Wabo aangewezen. Net als onder de Ww is binnen de systematiek van de Wabo als hoofdregel blijven gelden dat voor het bouwen een omgevingsvergunning nodig is. Dit vereiste is opgenomen in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Het voorgenomen bouwen wordt in dat verband ingevolge artikel 2.10 van de Wabo preventief getoetst aan onder meer de planologische regelgeving (zoals het bestemmingsplan), het Bouwbesluit 2003, de bouwverordening en de welstandsnota. In afwijking van die hoofdregel geldt ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Wabo een uitzondering voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. In de artikelen 2 en 3 van deze bijlage worden de bouwactiviteiten aangewezen die binnen de reikwijdte van dit omgevingsvergunningvrije «bouwen» vallen. De aanwijzing in deze bijlage leidt ertoe dat voor dit bouwen de omgevingsvergunningplicht ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet van toepassing is.

 

1.2. Planologisch strijdig gebruik

Vanuit de Wro zijn de planologische afwijkingsbesluiten, zoals ontheffingen en het projectbesluit, binnen de systematiek van de Wabo gebracht. Om een activiteit te verrichten die strijdig is met de toepasselijke planologische regelgeving uit bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de beheersverordening, geldt ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo als hoofdregel dat een omgevingsvergunning is vereist. Het toestaan dat wordt afgeweken van een bestemmingsplan of beheersverordening geschiedt onder de Wabo dus niet langer door verlening van een ontheffing of een projectbesluit, maar door verlening van een omgevingsvergunning. Deze omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een gebruik van gronden of van bouwwerken dat strijdig is met de geldende planologische regelgeving (planologisch strijdig gebruik). Het gaat hier om planologisch gebruik «in ruime zin». Dat betreft niet alleen het feitelijk gebruik van gronden en reeds gerealiseerde bouwwerken (zijnde gebruik in enge zin), maar ook het aanleggen van werken, geen bouwwerken zijnde, en het bouwen en slopen van bouwwerken. Het gaat dus om alle planologisch relevante activiteiten die strijdig zijn met de planologische regelgeving.

Voor zover het gaat om het bouwen van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan, betekent dit dat in zo’n geval zowel de vergunningplicht voor het bouwen op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo als de «planologische» vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo van toepassing is.

De aanwijzing van de activiteiten in artikel 2 van deze bijlage leidt er vervolgens toe dat beide vergunningplichten niet gelden. Dit houdt in dat het bouwen, ook indien dat strijdig is met de betreffende planologische regelgeving, zonder omgevingsvergunning kan worden verricht.

Voor artikel 3 geldt dat evenwel niet. De aanwijzing in artikel 3 heeft alleen betrekking op de activiteit bouwen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. De planologische vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo blijft voor het bouwen van toepassing indien dit strijdig zou zijn met bijvoorbeeld het bestemmingsplan of de beheersverordening.

1.3. Gevallen verlening omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik

Zoals al aangegeven is in deze bijlage de categorie van gevallen aangewezen waarvoor op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo, omgevingsvergunning kan worden verleend voor planologisch strijdig gebruik. Het gaat hier om een voortzetting van de zogenoemde «kruimellijst» van gevallen van beperkte planologische betekenis welke was opgenomen in artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze lijst was verbonden met de bevoegdheid uit artikel 3.23 van de Wro om een ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan of een beheersverordening. Nu deze bevoegdheid is overgeheveld naar de Wabo, is ook de zogenoemde «kruimellijst» in het Bor opgenomen. In deze bijlage is de «kruimellijst» te vinden in artikel 4. Het opnemen van deze «kruimellijst» in een bijlage samen met de categorie vergunningvrije bouwwerken maakt het mogelijk om te werken met uniforme begrippen en een gelijke wijze van meten. Met de overheveling naar het Bor is de «kruimellijst» om die reden op onderdelen aangepast.


1.4. Voorbereiding bijlage

Bij de voorbereiding van de nieuwe regeling die in de bijlage is opgenomen is ruimschoots en veelvuldig gebruikgemaakt van de kennis en ervaring van personen die dagelijks bij het bouwvergunningsvrije bouwen betrokken zijn. Zo zijn circa 100 ambtenaren van gemeenten tijdens de voorbereiding (al dan niet in workshopverband) geraadpleegd. Daarnaast zijn ook andere praktijkdeskundigen van welstandsorganisaties, adviesbureaus en architectenbureaus bij de voorbereiding betrokken geweest. Tevens zijn in dat kader geïnstitutionaliseerde overlegorganen, zoals de VNG, de Bond van Nederlandse Architecten, de Recron en het Overleg Platform Bouwregelgeving, geraadpleegd. Het veelal zeer constructieve meedenken van vele specialisten op dit terrein heeft op tal van onderdelen tot aanpassingen en verdere verbeteringen en nuanceringen binnen de systematiek van de regeling geleid.

Als onderdeel van de voorbereiding is deze bijlage bij het Bor, in het kader van de zogenoemde voorhangprocedure, voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal. Tijdens de behandeling van de Invoeringswet Wabo heeft de Tweede Kamer in dat verband een motie van de leden Boelhouwer (PvdA) en Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) aanvaard met de strekking de voorgestelde verruiming van vergunningvrij bouwen mogelijk te maken waarbij de in het bestemmingsplan geboden mogelijkheden qua oppervlakte en maatvoering het maximum zijn (Kamerstukken II 2008/09, 31 953, nr. 23; hierna: de motie Boelhouwer-Wiegman). Ter uitvoering van deze motie is de conceptregeling op onderdelen aangepast.


1.5. Leeswijzer

In deze nota van toelichting zal in het bijzonder nader worden ingegaan op de categorie bouwen en planologisch strijdig gebruik waarvoor het vereiste van een omgevingsvergunning niet geldt. In paragraaf 4 wordt meer inzicht gegeven in de precieze verschillen tussen de in de artikelen 2 en 3 gegeven categorieën van omgevingsvergunningvrije gevallen. Daarnaast wordt daarbij ingegaan op de handhavingssystematiek. In de paragrafen 2 en 3 wordt echter eerst aandacht besteed aan de verschillen tussen de nieuwe regeling en de regeling voor bouwvergunningsvrije bouwwerken, gebaseerd op de Ww en het Bblb, alsmede het evaluatieonderzoek dat naar het functioneren van die regeling heeft plaatsgevonden. In paragraaf 5 wordt ingegaan op de overige wet- en regelgeving die van betekenis kan zijn voor het aangewezen bouwen in deze bijlage en paragraaf 6 besteedt aandacht aan de rechtsbeschermingsaspecten van omgevingsvergunningvrije activiteiten. Paragraaf 7 gaat over de gevolgen van deze nieuwe regeling voor de administratieve en bestuurlijke lasten en paragraaf 8 bevat een toelichting op de inwerkingtreding en het overgangsrecht. In paragraaf 9 is tot slot een uitvoerige artikelsgewijze toelichting opgenomen. Hierin wordt onder meer, mede aan de hand van de regeling in het Bblb en de daaruit voortvloeiende praktijkervaringen en jurisprudentie, ingegaan op een aantal vragen die zich in de uitvoeringspraktijk zullen kunnen voordoen.

 

 
OmgevingsWeb.nl © 2010 -2014  |  Disclaimer  |  Mail ons  |  Vragen / antwoorden?